ZorgZipper

Kennisbank · 9 min lezen

Klinisch redeneren: wat is het en wat zijn de 6 stappen?

Klinisch redeneren is het systematisch koppelen van wat je ziet en meet aan wat er in het lichaam gebeurt. Je doet dat in de zes stappen van Marc Bakker: oriëntatie, probleemstellingen, aanvullend onderzoek, beleid, verloop en nabeschouwing. Zo kun je onderbouwd handelen en overdragen, in plaats van op gevoel.

Wat is de betekenis van klinisch redeneren?

Klinisch redeneren is de denkmethode waarmee een verpleegkundige waarnemingen en metingen verbindt aan de lichamelijke processen erachter, om te bepalen wat er aan de hand kan zijn, wat er moet gebeuren en waar je op moet letten. De zes stappen van de kaart zijn:

  1. Oriëntatie op de situatie: wat is er aan de hand?
  2. Klinische probleemstellingen: welke orgaansystemen zijn betrokken en wat heeft prioriteit?
  3. Aanvullend klinisch onderzoek: welke controles en onderzoeken zijn nodig, en wat verwacht je?
  4. Klinisch beleid: welke behandeling, bewaking en begeleiding?
  5. Klinisch verloop: wat verwacht je op de korte en de lange termijn?
  6. Nabeschouwing: wat leer je van de casus?

Wanneer gebruik je klinisch redeneren?

Bij elke patiënt bij wie je iets ziet dat niet klopt, bij een overdracht die je wilt onderbouwen, en in de opleiding bij elke uitgeschreven casus. Aan het bed gaat het in minuten en in je hoofd; in de patiëntbespreking en de nabeschouwing schrijf je de stappen uit.

Klinisch redeneren in 6 stappen

De voorkant van de kaart klinisch redeneren geeft de zes stappen zoals ze in de opleiding worden geleerd. Ze geven structuur, maar klinisch redeneren is geen strikt lineair proces: nieuwe informatie kan op ieder moment aanleiding zijn om eerdere aannames, probleemstellingen of het beleid bij te stellen. Een uitslag uit stap 3 kan je probleemstelling uit stap 2 veranderen.

Stappen en hulpmiddelen uit elkaar houden

De zes stappen geven de structuur van het redeneerproces. SBAR, EWS, ABCDE, SCEGS en de lijst met orgaansystemen zijn hulpmiddelen die je bij afzonderlijke onderdelen van dat proces ondersteunen; ze zijn geen stappen op zichzelf.

Stap 1: Oriëntatie op de situatie

Wat is er aan de hand? Je brengt het actuele klinische beeld in kaart: observaties, metingen, relevante voorgeschiedenis en de urgentie. De SBAR kan daarbij als redeneerhulp dienen. Daarna benoem je een (differentiaal)diagnose, zoals de kaart het noemt: een werkhypothese over de meest waarschijnlijke verklaring, en de andere verklaringen die je nog niet kunt uitsluiten. Je hoeft in deze stap niets zeker te weten; je maakt de klinische vraag zo scherp mogelijk.

Stap 2: Klinische probleemstellingen

Je brengt de problemen en hun prioriteit in kaart en beredeneert welke orgaansystemen verstoord zijn. Daarbij kun je verschillende redeneerhulpen gebruiken: met de ABCDE-methodiek bepaal je urgentie en prioriteit, met de lijst met orgaansystemen op de achterkant van de kaart onderzoek je welke fysiologische functies verstoord zijn, en met SCEGS (somatisch, cognitief, emotioneel, gedragsmatig, sociaal) breng je psychosociale factoren in kaart. Per probleem benoem je de klinische aandachtspunten: wat je moet observeren.

Stap 3: Aanvullend klinisch onderzoek

Welke aanvullende controles, functie-onderzoeken en laboratoriumonderzoeken zijn nodig om je probleemstelling te toetsen? Per onderzoek beschrijf je het doel en wat je verwacht als je hypothese klopt. Dat laatste is de kern, en je formuleert het als voorspelling, niet als uitslag die je al kent: als een urineweginfectie waarschijnlijk is, verwacht je afwijkingen die daarbij passen, en een normale uitslag maakt die hypothese juist minder waarschijnlijk. Zo leer je hypothese, voorspelling en interpretatie uit elkaar te houden.

Stap 4: Klinisch beleid

Je beredeneert, opnieuw langs de ABCDE, welke behandeling nodig is en hoe de patiënt bewaakt en begeleid moet worden. Klinisch beleid omvat de medische én de verpleegkundige interventies: welke behandeling nodig is, welke verpleegkundige zorg en begeleiding, welke bewaking je inzet en hoe vaak, en wanneer je andere disciplines inschakelt. Begeleiding is ook wat de patiënt en de naasten nodig hebben om het te dragen.

Stap 5: Klinisch verloop

Wat verwacht je op de korte en de lange termijn? Je beredeneert de prognose, de mogelijke complicaties en de risico’s van de behandeling zelf. Deze stap maakt dat je niet verrast wordt: wie weet welke complicatie kan komen, herkent hem eerder.

Stap 6: Nabeschouwing

Je kijkt terug: waar en wanneer was de patiëntveiligheid niet optimaal, waar en wanneer was de kwaliteit van de beroepsuitoefening niet optimaal, en was er sprake van een ethisch dilemma. In deze stap leer je van de casus. Hij wordt in de praktijk gemakkelijk overgeslagen.

De 12 orgaansystemen bij klinisch redeneren

In stap 2 loop je de orgaansystemen af. De achterkant van de kaart geeft er twaalf, elk met de trefwoorden die je helpen om per systeem de juiste vraag te stellen.

OrgaansysteemWaar je naar kijkt
1. Respiratoir systeemLuchtwegen, ademprikkel, ademarbeid, diffusie, pulmonale circulatie.
2. Cardiovasculair systeemVeneus aanbod / bloedvolume, prikkelvorming en -geleiding, pompfunctie, arteriële distributie, microcirculatie.
3. Zuurstofbalans myocardZuurstoftoevoer: coronaire bloedflow, Hb en saturatie. Zuurstofbehoefte: veneus aanbod, vaatweerstand / afterload, hartfrequentie, contractie.
4. Vocht- en elektrolytenbalansInname / behoefte, osmolariteit (kristallijn), watermassa (extra- / intracellulair), nierfunctie, mictie.
5. AfweersysteemHuid en slijmvliezen, bloed en lymfestelsel.
6. ThermoregulatiesysteemWarmteproductie, warmteafgifte.
7. BloedZuur-base-evenwicht, zuurstoftransport, stolling, overige klinische chemie.
8. Digestief systeemInname en behoefte, afbraak en vertering, transport, absorptie, defecatie.
9. Zintuiglijk systeemSomatosensoriek, pijn.
10. Neurologisch systeemHogere cerebrale functies, regulatie orgaansystemen.
11. Motorisch systeemWillekeurig bewegen, motiliteit orgaansystemen, houding en bewegingsreflexen.
12. Endocrien systeemCentrale regulatie, lagere endocriene organen, doelorganen.
De achterkant van de kaart Algemeen: klinisch redeneren.

Voorbeeld: klinisch redeneren in 6 stappen uitgewerkt

Mevrouw Jansen, 79 jaar, dag 3 na een heupoperatie, sinds de operatie een blaaskatheter. Vanmiddag is ze verward, ze voelt warm aan en ademt sneller dan vanochtend. Zo redeneer je in zes stappen.

Stap 1 · Oriëntatie op de situatie

Je meet: temperatuur 38,9, hartfrequentie 112, ademhalingsfrequentie 24, bloeddruk 104/58, saturatie 94% zonder zuurstof, ze is verward en plukkerig. Volgens het EWS-systeem van deze instelling komt ze op 6, dus je belt de arts. In SBAR: nieuwe verwardheid met koorts en snelle ademhaling bij een patiënte met een blaaskatheter sinds drie dagen. Werkhypothesen: een infectie met mogelijke systemische ontregeling, met een urineweginfectie als één van de mogelijke bronnen. Differentiaaldiagnostisch denk je onder andere aan pneumonie (postoperatief, weinig mobiel), wondinfectie en niet-infectieuze oorzaken van een delier, zoals pijn of medicatie.

Stap 2 · Klinische probleemstellingen

Betrokken systemen: thermoregulatie (koorts), afweer (katheter als toegangspoort), cardiovasculair (snelle pols, lagere bloeddruk: begint de circulatie te falen?), respiratoir (snellere ademhaling als compensatie), vocht- en elektrolytenbalans (koorts, minder drinken, hoe is de urineproductie?), neurologisch (verwardheid). Prioriteit via ABCDE: A is vrij, B versneld maar saturatie voldoende, C vraagt aandacht: de hartfrequentie is verhoogd en de bloeddruk is relatief laag, dus je beoordeelt of er een circulatieprobleem is en hoe de doorbloeding is. Aandachtspunten: bloeddruk, urineproductie, bewustzijn. SCEGS: emotioneel angstig, sociaal is de dochter net vertrokken en weet van niets.

Stap 3 · Aanvullend klinisch onderzoek

Wat de arts vermoedelijk inzet en wat je verwacht: urinesediment en urinekweek (als een urineweginfectie de bron is, verwacht je afwijkingen die daarbij passen; een normale uitslag maakt die bron minder waarschijnlijk), bloedkweken vóór antibiotica, lab met CRP, leukocyten, nierfunctie en lactaat (bij een infectie verwacht je verhoogde ontstekingswaarden; lactaat zegt iets over de circulatie), zo nodig een thoraxfoto voor de pneumonie in de differentiaal, en een DOS-score om het delier te objectiveren. Jouw eigen aanvullende controles: EWS elk half uur, urineproductie per uur, vochtbalans bijhouden.

Stap 4 · Klinisch beleid

Medisch beleid: wat de arts voorschrijft, bijvoorbeeld antibiotica en vocht, en een besluit over de katheter. Verpleegkundig beleid en bewaking langs ABCDE: ademhaling en saturatie, bloeddruk en pols, bewustzijn en temperatuur, met afgesproken belgrenzen. Begeleiding: rustige omgeving, oriëntatie (bril, gehoorapparaat, klok), de dochter bellen en uitleggen wat er gebeurt.

Stap 5 · Klinisch verloop

Korte termijn: bij adequate behandeling verwacht je klinische verbetering; je volgt daarbij temperatuur, ademhaling, circulatie, bewustzijn en urineproductie. Verslechtering van bloeddruk, urineproductie, ademhaling of bewustzijn kan wijzen op klinische achteruitgang en vraagt om directe herbeoordeling en, afhankelijk van de situatie, escalatie van zorg. Blijft verbetering uit, dan worden de diagnose en het beleid opnieuw bekeken. Lange termijn: het delier kan dagen aanhouden en de revalidatie vertragen; risico op vallen, decubitus en ondervoeding. Risico’s van de behandeling: overvulling bij vocht, reactie op antibiotica.

Stap 6 · Nabeschouwing

Patiëntveiligheid: had de katheter er op dag 3 nog moeten zitten, en is dat elke dag afgewogen? Kwaliteit: is de EWS vanochtend gemeten en genoteerd, of pas toen ze verward werd? Ethisch: mevrouw weigerde in haar verwardheid het infuus; hoe weeg je haar wil tegen de noodzaak, en wie besliste dat?

De zes stappen zijn er niet om een diagnose te stellen; dat doet de arts. Ze helpen je om je waarnemingen te ordenen, je overdracht te onderbouwen en te weten wat je moet bewaken en waarom.

Veelgemaakte fouten en tips bij klinisch redeneren

1. Meteen naar een diagnose springen

“Ze heeft een blaasontsteking” is snel gezegd, en vaak waar. Maar als je bij stap 1 al klaar bent, mis je de pneumonie die er ook kan zijn en denk je niet na over de bloeddruk die zakt. Formuleer een werkhypothese én een differentiaal, en houd die open tot de uitslagen er zijn.

2. Alleen het orgaansysteem van de klacht bekijken

Koorts raakt meer dan de thermoregulatie. De lijst met twaalf systemen is er om verder te kijken: wat doet de koorts met de circulatie, de vochtbalans, het bewustzijn? Loop bij elke probleemstelling alle twaalf langs, ook als je bij de meeste snel nee zegt.

3. Stap 6 overslaan

De nabeschouwing voelt als huiswerk, maar hier leert de afdeling van. Een katheter die een dag te lang bleef zitten, een EWS die niet was gemeten: het zijn geen verwijten, maar dingen die je alleen ziet als je terugkijkt. Neem het mee naar de overdracht of de patiëntbespreking.

  • Begin met meten: met een EWS en een ABCDE heb je stap 1 en 2 grotendeels al gedaan.
  • Schrijf per onderzoek op wat je verwacht, vóórdat de uitslag binnen is.
  • Zeg bij de overdracht ook wat je verwacht en waar je op let.
Hoeveel tijd kost klinisch redeneren in de praktijk?

In de opleiding schrijf je de zes stappen uit en kost een casus een uur. Aan het bed gaat het in je hoofd, in minuten: meten, ordenen, bellen, bewaken. De structuur zorgt dat je in die minuten niets overslaat. De nabeschouwing komt later, bij de overdracht of de patiëntbespreking, en verdient dan wel echt een paar minuten.

Ben je student verpleegkunde of verzorgende IG? Bij de referentiekaarten voor studenten zie je welke kaarten je per leerjaar gebruikt, en met studentenkorting bestel je ze voordeliger.

Veelgestelde vragen

Wat zijn de 6 stappen van klinisch redeneren?

Oriëntatie op de situatie, klinische probleemstellingen, aanvullend klinisch onderzoek, klinisch beleid, klinisch verloop en nabeschouwing. Dit is de indeling van ProActive Nursing, zoals die in de meeste hbo- en mbo-opleidingen wordt geleerd en zoals hij op de kaart staat.

Wat is stap 1 van klinisch redeneren?

Stap 1 heet oriëntatie op de situatie: je brengt in beeld wat er aan de hand is. Daarbij gebruik je de SBAR als hulpmiddel: situation, background, assessment, recommendation. Daarna benoem je een (differentiaal-)diagnose, zoals de kaart het noemt: een werkhypothese over de meest waarschijnlijke verklaring, en de andere verklaringen die je nog niet kunt uitsluiten. De diagnose zelf stelt de arts.

Wat is stap 2 van klinisch redeneren?

Stap 2 heet klinische probleemstellingen: je beredeneert welke orgaansystemen betrokken zijn en geeft prioriteit met de ABCDE-methodiek. Je benoemt de problemen met hun klinische aandachtspunten, dus wat je moet observeren. Ook benoem je eventuele psychosociale problematiek met SCEGS: somatisch, cognitief, emotioneel, gedragsmatig en sociaal.

Wat is stap 3 van klinisch redeneren?

Stap 3 heet aanvullend klinisch onderzoek: je benoemt welke aanvullende controles, functie-onderzoeken en laboratoriumonderzoeken nodig zijn. Per onderzoek beschrijf je het doel en de verwachte uitkomst. Die verwachting schrijf je op als voorspelling, vóórdat de uitslag er is. Zo zie je achteraf of de uitslag je werkhypothese ondersteunt of juist minder waarschijnlijk maakt.

Wat is het verschil tussen klinisch redeneren en de ABCDE-methodiek?

ABCDE is een volgorde om een acuut zieke patiënt te beoordelen en te stabiliseren, van luchtweg tot omgeving. Klinisch redeneren is breder: het is de denkmethode waarmee je verklaart wat er gebeurt en wat je daaraan doet. ABCDE komt binnen het klinisch redeneren terug in stap 2 (prioriteit) en stap 4 (beleid).

Welke orgaansystemen loop je af bij klinisch redeneren?

Je loopt de 12 orgaansystemen van de kaart af: respiratoir systeem, cardiovasculair systeem, zuurstofbalans myocard, vocht- en elektrolytenbalans, afweersysteem, thermoregulatiesysteem, bloed, digestief systeem, zintuiglijk systeem, neurologisch systeem, motorisch systeem en endocrien systeem. Bij elk systeem staan de functies die je naloopt, bij het respiratoir systeem bijvoorbeeld luchtwegen, ademprikkel, ademarbeid, diffusie en pulmonale circulatie.

Waarom staan er twaalf orgaansystemen op de kaart?

Omdat een klacht zelden in één systeem blijft. Koorts raakt de thermoregulatie, maar ook het cardiovasculaire systeem (snellere pols), de vochtbalans (meer verlies) en het neurologische systeem (verwardheid). De lijst dwingt je alle systemen langs te lopen, zodat je niet alleen kijkt naar het systeem waar de klacht vandaan komt.

Is klinisch redeneren alleen voor hbo-verpleegkundigen?

Nee. De zes stappen worden in mbo- en hbo-opleidingen geleerd en horen bij het beroepsprofiel van elke verpleegkundige. Het niveau van de redenering verschilt, de structuur niet. Ook verzorgenden gebruiken de eerste stappen om te signaleren en over te dragen.

Voorkant van de kaart Algemeen: klinisch redeneren
Achterkant van de kaart Algemeen: klinisch redeneren

De kaart voor aan je uniform

Algemeen: klinisch redeneren

Alles uit dit artikel staat op deze kaart: 7 × 12 cm, afneembaar kunststof, met een clip aan je pak. Voor € 4,95, of als onderdeel van de Set van 5 (€ 23,95, clip inbegrepen) en de Pick & Click met twintig kaarten.

Werk je bij een leerhuis, opleiding of op een afdeling? Laat de Klinisch redeneren-kaart op maat maken met jullie eigen afkapwaarden, belnummers en logo, of bestel de bestaande kaart voor het hele team tegen staffelprijs. Kaarten op maat · Zakelijk bestellen

Bronnen en controle

  • Bakker M, Van Heycop ten Ham C, Klinisch redeneren in zes stappen, Boom, meerdere drukken (de methodiek van de kaart).
  • ProActive Nursing (Marc Bakker), het model van de zes stappen en de orgaansystemen voor de verpleegkundige opleiding.
  • V&VN, Beroepsprofiel verpleegkundige en het Kwaliteitskader, waarin klinisch redeneren als kerncompetentie is opgenomen.
  • De referentiekaart Algemeen: klinisch redeneren van ZorgZipper (uitgave 2024).

Inhoud gecontroleerd op 16 september 2026. Volg altijd het protocol van je eigen afdeling; dat gaat vóór elke naslagkaart.

Een kaart uit de zorgbingo

Gratis voor je team

De zorgbingo in je mail

Acht bingokaarten vol situaties uit een dienst, van ‘familie belt 3x’ tot ‘hele dienst niet geplast’. Print ze voor je team of je klas en kruis af wat je meemaakt. Wil je ook de nieuwsbrief met nieuwe artikelen en kaarten? Zet dan het vinkje aan.

Je krijgt de pdf per mail. Zie de privacyverklaring.

Lukt het niet? Download de pdf dan direct.

Lees ook