Kennisbank · 7 min lezen
Referentiewaarden bloed: wat is normaal bij bloedonderzoek?
Referentiewaarden bij bloedonderzoek zijn de grenzen waarbinnen de uitslag van de meeste gezonde volwassenen valt, bijvoorbeeld 3,5 tot 5,0 mmol/l voor kalium. In de zorg heten ze ook normaalwaarden. Een uitslag buiten de referentiewaarde is een signaal om verder te kijken, geen diagnose.
Wat zijn referentiewaarden bij bloedonderzoek?
Een referentiewaarde is het bereik waarin de uitslag van ongeveer 95 procent van de gezonde volwassenen valt. Het laboratorium meet een grote groep gezonde mensen, laat de laagste en hoogste 2,5 procent weg, en wat overblijft is het referentie-interval. Op de kaart Bloed: referentiewaarden staan 27 bepalingen met hun referentiewaarde voor volwassenen. Een referentiewaarde vertelt je drie dingen:
- De ondergrens en de bovengrens, bijvoorbeeld natrium 135 tot 145 mmol/l.
- Soms alleen één grens. Bij CRP (<5 mg/l), bilirubine (<17 µmol/l) en e-GFR (>90 ml/min) is alleen de kant interessant waar het misgaat.
- Soms een verschil tussen man en vrouw. De kaart geeft aparte waarden voor ALAT, ASAT, creatinine, erytrocyten, Hb en hematocriet.
Wat een bepaling meet en waarom de arts hem aanvraagt, lees je in het artikel over labwaarden. Hier gaat het om de grenzen zelf: hoe je ze leest, waarom ze verschillen en wanneer een uitslag binnen de grenzen toch aandacht vraagt.
Referentiewaarde of normaalwaarde?
Je hoort allebei, en ze betekenen hetzelfde. Laboratoria zeggen liever referentiewaarde, omdat het bereik is gemeten bij een gezonde groep en niet beschrijft wat voor jouw patiënt normaal is. Op de kaart zie je beide: de kop zegt referentiewaarden, de toelichting onderaan spreekt van normaalwaarden voor volwassenen.Referentiewaarden bloed: tabel met normaalwaarden
De tabel volgt de kaart, maar dan geordend per orgaan of proces, zodat je de waarden vindt die bij elkaar horen. M is man, V is vrouw. De volgorde op de kaart zelf is alfabetisch.
| Bepaling | Referentiewaarde (volwassenen) |
|---|---|
| Bloedbeeld | |
| Hb (hemoglobine) | M: 8,5 - 11 mmol/l · V: 7,5 - 10,0 mmol/l |
| Hematocriet | M: 0,40 - 0,50 l/l · V: 0,35 - 0,45 l/l |
| Erytrocyten | M: 4,4 - 5,8 · V: 4,0 - 5,3 |
| MCV | 80 - 100 fl |
| MCH | 1,70 - 2,10 fmol |
| RDW | 11 - 16% |
| Leukocyten | 4000 - 10000/µl |
| Trombocyten | 150 - 400 miljard/l |
| Ontsteking | |
| CRP | <5 mg/l |
| BSE | 4 - 8 mm in eerste uur |
| Nieren | |
| Creatinine | M: 45 - 100 µmol/l · V: 45 - 80 µmol/l |
| e-GFR | >90 ml/min |
| Ureum | 2,5 - 6,4 mmol/l |
| Lever | |
| ALAT | M: <45 U/l · V: <35 U/l |
| ASAT | M: <35 U/l · V: <31 U/l |
| Bilirubine | <17 µmol/l |
| Albumine | 35 - 55 g/l |
| Totaal eiwit | 60 - 80 g/l |
| Elektrolyten en mineralen | |
| Natrium | 135 - 145 mmol/l |
| Kalium | 3,5 - 5,0 mmol/l |
| Calcium | Totaal 2,10 - 2,55 mmol/l · geïoniseerd 1,15 - 1,33 mmol/l |
| Magnesium | 0,7 - 1,0 mmol/l |
| Fosfaat | 0,9 - 1,5 mmol/l |
| Stofwisseling en zuur-base | |
| Glucose | Nuchter 4,0 - 6,4 mmol/l |
| Lactaat | 0,5 - 1,7 mmol/l |
| pH | 7,35 - 7,45 |
| Schildklier | |
| TSH | 0,5 - 3,9 mU/l |
Hoe lees je een uitslag met referentiewaarden?
Op een labuitslag staat per bepaling de gemeten waarde, de eenheid en de referentiewaarde van dat laboratorium. Valt de waarde erbuiten, dan zie je meestal een H of L, of een sterretje. Drie dingen helpen je om de uitslag goed te lezen.
Kijk naar de eenheid
Het Hb staat in Nederland in mmol/l. In buitenlandse literatuur en in apps zie je vaak g/dl: daar is voor een man ongeveer 13,7 tot 17,7 g/dl normaal. Dat is hetzelfde bereik als 8,5 tot 11 mmol/l op de kaart, in een andere eenheid. Zo staan ook de leukocyten op de kaart per microliter (4000 tot 10000/µl), terwijl de meeste uitslagen 4,0 tot 10,0 × 109/l noemen. Ook dat is hetzelfde bereik.
Kijk naar de patiënt
De kaart zegt het onderaan: labuitslagen worden geïnterpreteerd in samenhang met andere waarden, de voorgeschiedenis van de patiënt en de bevindingen van ander onderzoek. Een creatinine van 110 µmol/l zegt iets anders bij een gespierde man van dertig dan bij een tengere vrouw van negentig. En een CRP van 60 mg/l bij iemand met koorts en een rode, warme wond vertelt een duidelijker verhaal dan hetzelfde getal zonder klachten.
Kijk naar de vorige uitslag
Beoordeel niet alleen losse waarden, maar ook trends. Dat is de derde regel op de kaart, en misschien wel de nuttigste voor de afdeling. Een kalium dat in drie dagen van 3,6 naar 4,9 mmol/l loopt, valt nog binnen de grenzen, maar de richting kan bij een patiënt met verminderde nierfunctie of een kaliumsparend middel aandacht vragen. Zet de uitslagen in het dossier naast elkaar voordat je de arts belt; dan kun je in je SBAR meteen zeggen of het een nieuwe afwijking is of een bekende.
Bloedwaarde buiten de referentiewaarden: wat betekent dat?
Omdat het referentie-interval de middelste 95 procent van gezonde mensen beschrijft, valt één op de twintig gezonde mensen bij een bepaling net buiten de grenzen. Laat je twintig bepalingen doen, dan is de kans groot dat er bij een gezond iemand één licht afwijkt. Een uitslag net boven of onder de grens is dus geen diagnose. Hoe verder een waarde van de grens af ligt, en hoe beter hij past bij de klachten, hoe meer hij zegt.
Wanneer meld je een afwijkende uitslag meteen?
Waarden die direct gevaarlijk kunnen zijn, zoals een sterk afwijkend kalium of glucose, geeft het laboratorium vaak zelf telefonisch door. Krijg jij zo'n uitslag, kijk dan naar de patiënt (vitale functies, bewustzijn, klachten) en meld het volgens het protocol van je afdeling aan de arts. Welke grenzen jouw laboratorium daarvoor hanteert, staat in het laboratoriumhandboek.Waarom verschillen referentiewaarden per instelling, geslacht en leeftijd?
- Per laboratorium. Elk laboratorium meet met eigen apparatuur en methoden en stelt de grenzen vast bij een eigen referentiegroep. De kaart zegt het ook: waarden kunnen per instelling in geringe mate verschillen. De waarde op je eigen uitslag gaat dus voor.
- Tussen man en vrouw. Door verschil in spiermassa en hormonen liggen onder meer het Hb, de hematocriet en het creatinine bij mannen hoger. Een Hb van 8,0 mmol/l is bij een vrouw normaal en bij een man te laag.
- Naar leeftijd. De waarden op de kaart gelden voor volwassenen. Bij kinderen veranderen veel referentiewaarden met de leeftijd; daarvoor gebruik je de tabellen van het laboratorium. Ook bij ouderen kan bijvoorbeeld de e-GFR lager uitvallen zonder dat er een acute nierziekte is.
Voorbeeld: een Hb binnen de grenzen dat toch zakt
Meneer De Groot, 67 jaar, dag 2 na een heupoperatie. Zijn Hb is 8,6 mmol/l. Binnen de referentiewaarde, dus niets aan de hand?
Op de kaart is het Hb voor mannen 8,5 tot 11 mmol/l, dus 8,6 valt er net binnen. Je legt de uitslag naast de vorige: voor de operatie was zijn Hb 10,0 mmol/l, gisteren 9,3. Hij is bleker dan gisteren, voelt zich duizelig bij het opstaan, zijn pols is 102 en de wondpleister is doorgekleurd.
De losse waarde is normaal, de trend niet: in twee dagen 1,4 mmol/l lager, samen met klachten en een snellere pols. Je belt de arts met SBAR. Situation: Hb 8,6 mmol/l, daling van 10,0 naar 8,6 in twee dagen, pols 102, duizelig bij opstaan. Background: dag 2 na een heupoperatie. Assessment: je denkt aan bloedverlies en maakt je zorgen over de daling. Recommendation: je vraagt de arts te komen kijken en of er een controle-Hb en eventueel een kruisproef moet komen.
Precies daarom staat op de kaart: beoordeel niet alleen losse waarden maar ook trends.
Veelgestelde vragen
Wat zijn referentiewaarden bij bloedonderzoek?
Referentiewaarden zijn de onder- en bovengrens waartussen de uitslag van ongeveer 95 procent van de gezonde volwassenen valt. Het laboratorium bepaalt die grenzen door een groep gezonde mensen te meten. Op de uitslag staat de referentiewaarde naast je eigen waarde, zodat je ziet of die erbinnen of erbuiten valt. In de zorg wordt ook het woord normaalwaarde gebruikt.
Wat betekent het als een bloedwaarde buiten de referentiewaarden valt?
Een waarde buiten de referentiewaarden is een signaal, geen diagnose. Omdat de grenzen zo zijn gekozen dat 95 procent van de gezonde mensen erbinnen valt, heeft ongeveer één op de twintig gezonde mensen bij een bepaling toch een afwijkende uitslag. De arts beoordeelt de waarde samen met de klachten, eerdere uitslagen en ander onderzoek, zoals de kaart ook zegt.
Wat is het verschil tussen een referentiewaarde en een normaalwaarde?
In de praktijk bedoelen mensen hetzelfde. Laboratoria spreken liever van referentiewaarde of referentie-interval, omdat het bereik is gemeten bij een gezonde referentiegroep en niet zegt wat voor één persoon normaal is. Normaalwaarde is het woord dat je op de afdeling en in lesmateriaal vaker hoort. Op de kaart staan beide woorden: de kop zegt referentiewaarden, de toelichting normaalwaarden voor volwassenen.
Waarom verschillen referentiewaarden per laboratorium?
Elk laboratorium meet met eigen apparatuur en methoden en stelt de grenzen vast bij een eigen referentiegroep. Daardoor kan de bovengrens van bijvoorbeeld creatinine of ALAT per ziekenhuis een paar eenheden verschillen. De kaart zegt het ook: waarden kunnen per instelling in geringe mate verschillen. Kijk dus altijd naar de referentiewaarde die op de uitslag van je eigen laboratorium staat.
Waarom zijn er aparte referentiewaarden voor mannen en vrouwen?
Bij een aantal bepalingen liggen de waarden van gezonde mannen en vrouwen anders, bijvoorbeeld door spiermassa en hormonen. Op de kaart gaat het om ALAT, ASAT, creatinine, erytrocyten, Hb en hematocriet. Een Hb van 8,0 mmol/l valt bij een vrouw binnen de referentiewaarde van 7,5 tot 10,0, maar ligt bij een man onder de grens van 8,5.
Gelden deze referentiewaarden ook voor kinderen?
Nee. De kaart zegt het onderaan letterlijk: de gegeven waarden zijn de normaalwaarden voor volwassenen. Bij kinderen veranderen veel referentiewaarden met de leeftijd, zoals het Hb, de leukocyten, het creatinine en de alkalische fosfatase. Voor kinderen gebruik je de leeftijdsafhankelijke referentiewaarden van het laboratorium dat de bepaling doet.
Is een bloedwaarde binnen de referentiewaarden altijd goed?
Niet altijd. Een waarde binnen de grenzen kan voor één patiënt toch een verandering betekenen, bijvoorbeeld een Hb dat in twee dagen van 10,0 naar 8,6 mmol/l zakt. Daarom vraagt de kaart om niet alleen losse waarden te beoordelen, maar ook trends. Vergelijk een uitslag dus met de vorige, en meld een snelle daling of stijging ook als die nog binnen de grenzen valt.
Wat betekenen H, L of een sterretje op een labuitslag?
Met H (hoog), L (laag) of een sterretje laat het laboratorium zien dat een waarde boven of onder de referentiewaarde ligt. Sommige laboratoria geven waarden die direct gevaarlijk kunnen zijn ook telefonisch door aan de arts of de afdeling. Welke tekens jouw laboratorium gebruikt en wanneer het belt, staat in het laboratoriumhandboek van je instelling.


De kaart voor aan je uniform
Bloed: referentiewaarden
Alles uit dit artikel staat op deze kaart: 7 × 12 cm, afneembaar kunststof, met een clip aan je pak. Voor € 4,95, of als onderdeel van de Set van 5 (€ 23,95, clip inbegrepen) en de Pick & Click met twintig kaarten.
Werk je bij een leerhuis, opleiding of op een afdeling? Laat de Referentiewaarden-kaart op maat maken met jullie eigen afkapwaarden, belnummers en logo, of bestel de bestaande kaart voor het hele team tegen staffelprijs. Kaarten op maat · Zakelijk bestellen



