ZorgZipper

Kennisbank · 9 min lezen

Hypo of hyper? Zo herken je de symptomen en zo handel je

Een hypo (hypoglykemie) is een te lage bloedsuiker, een bloedglucose onder de 3,9 mmol/l, vaak met zweten, trillen, honger, een snelle hartslag, duizeligheid of verwardheid. Een hyper (hyperglykemie) is een te hoge bloedsuiker, een glucose boven de 15 mmol/l, met dorst, veel plassen en vermoeidheid. Bij een hypo geef je snelle suikers volgens protocol en meet je na een kwartier opnieuw. Bij een hyper bepalen klachten, ketonen en vitale functies de urgentie.

Wat is een hypo (hypoglykemie) en een hyper (hyperglykemie)?

  • Hypoglycemie (hypo): een te lage bloedglucose, op de kaart onder de 3,9 mmol/l. Ontstaat snel, in minuten, meestal door te veel insuline of tabletten, te weinig eten of extra inspanning.
  • Hyperglycemie (hyper): een te hoge bloedglucose, op de kaart boven de 15 mmol/l. Bouwt zich op in uren tot dagen, vaak door ziekte, gemiste medicatie of te veel koolhydraten.

De kaart gaat over mensen met diabetes, in de volksmond suikerziekte. Op de kaart staan hypoglycemie en hyperglycemie met een c; de NHG en Het Acute Boekje schrijven ze met een k. Het zijn dezelfde begrippen.

Wanneer meet je de bloedsuiker?

Volgens het schema van de patiënt, en daarnaast altijd bij een plotselinge verandering: zweten, trillen, verwardheid, sufheid, veel dorst of plassen. Bij een oudere die "opeens anders" is, meet je de glucose ook als niemand aan diabetes denkt.

De eerste triagevraag op de kaart gaat over de meting zelf: is de glucosemeting correct uitgevoerd, met een geijkt apparaat en gewassen handen? Meet zo nodig nog een keer. Beoordeel je een acuut zieke patiënt volgens de ABCDE-methodiek, dan hoort de glucose bij de D.

Symptomen van een hypo (te lage bloedsuiker)

Op de voorkant van de kaart over hypo- en hyperglycemie staan negen symptomen van een hypoglycemie, bij een glucose onder de 3,9 mmol/l. Het zijn de klachten en kenmerken waaraan je een hypo kunt herkennen, in de volgorde van de kaart:

  • Honger
  • Transpireren
  • Tremor (trillen)
  • Tachycardie (snelle hartslag)
  • Sufheid, insulten, coma
  • Bleekheid
  • Duizeligheid
  • Wazig zien
  • Agitatie/prikkelbaar

Onder de symptomen staat op de kaart een noot. Bij frequente hypoglycemieën komen de klachten steeds later of zelfs niet meer. En bij ouderen en/of bij het gebruik van orale bloedglucoseverlagende middelen kan de presentatie atypisch verlopen, met klachten als pijn op de borst, verwardheid, focale uitval of coma.

Hypo herkennen bij ouderen

Bij ouderen en bij tabletgebruikers ziet een hypo er anders uit

Wie vaak hypo's heeft, voelt ze steeds later aankomen, soms helemaal niet meer. En bij ouderen, zeker met tabletten zoals een SU-derivaat (gliclazide, glimepiride), kan een hypo zich vermommen als verwardheid, pijn op de borst, een halfzijdige uitval of een val. Een oudere die opeens "anders" is: meet de glucose, ook als niemand aan diabetes denkt.

Meer over verwardheid bij ouderen lees je in het artikel over delier, dementie en depressie.

Symptomen van een hyper (te hoge bloedsuiker)

Een hyperglycemie is op de kaart een glucose boven de 15 mmol/l: een te hoge bloedsuikerspiegel. Ook hiervoor noemt de hypo-hyperkaart negen symptomen:

  • Polydipsie (dorst)
  • Duizeligheid
  • Misselijkheid
  • Polyurie (veel plassen)
  • Lusteloosheid
  • Versnelde ademhaling (kan naar aceton ruiken)
  • Prikkelbaar
  • Gapen
  • Slaperigheid/vermoeidheid/sufheid

Hoe je deze verschijnselen onderscheidt van die van een hypo, zie je in de vergelijking hieronder. De twee ontregelingen die je bij een hyper niet mag missen, staan verderop bij de triagevragen.

Hypo of hyper: het verschil aan het bed

De twee lijken van een afstand op elkaar. In beide gevallen kan iemand duizelig, prikkelbaar of suf zijn. Het tempo verraadt meestal welke van de twee het is. Een hypo komt in minuten opzetten; een hyper bouwt zich in uren tot dagen op. Bij twijfel meet je. Kun je niet meten en past het beeld sterk bij een hypo, dan handel je volgens het hypoprotocol; bewustzijnsverlies bij iemand met diabetes beschouw je als een hypo tot het tegendeel bewezen is, en dan geef je niets via de mond.

HypoglycemieHyperglycemie
BeginSnel, in minutenLangzaam, in uren tot dagen
HuidBleek, transpirerenVaak droog (uitdroging)
AdemhalingNormaalVersneld en diep; adem kan naar aceton ruiken
PolsSnel (tachycardie)Kan verhoogd zijn door uitdroging
Dorst en plassenNiet opvallendVeel dorst, veel plassen
EetlustHongerMisselijk, weinig trek
Gedrag en overigTremor (trillen), agitatie, prikkelbaar, duizeligheid, wazig zienLusteloos, prikkelbaar, duizelig, gapen, slaperig en vermoeid
BewustzijnKan snel dalen: sufheid, insulten, comaDaalt geleidelijk; bij ontregeling sufheid tot coma
Dezelfde symptomen als op de voorkant van de kaart, naast elkaar gezet.

Bloedsuikerwaarden: de glucoseladder

De kaart over hypo- en hyperglycemie hanteert twee signaleringsgrenzen: onder de 3,9 mmol/l is het een hypo, boven de 15 een hyper, met de kanttekening dat de afkapwaarde per instelling in geringe mate kan verschillen. Daartussen zit een gebied dat voor de één gewoon is en voor de ander al reden om te handelen. Streefwaarden hangen af van leeftijd, kwetsbaarheid, behandeling en de afspraken met de patiënt; bij kwetsbare ouderen zijn ruimere waarden gebruikelijk.

In folders voor mensen met diabetes staan vaak 4 en 10 mmol/l: onder de 4 een lage bloedsuiker, boven de 10 een hoge. Dat zijn grenzen voor de patiënt thuis, die zelf bijstuurt. De kaart noemt 3,9 en 15 als de grenzen waarop je in de zorg in actie komt. De 3,9 is de internationale grens voor een hypo (ADA en EASD, niveau 1).

Lees de ladder als signaleringsgrenzen, niet als definitie

De waarden hieronder zijn praktische grenzen om op te letten. De individuele streefwaarden en de behandelafspraken van jouw patiënt kunnen ervan afwijken, en die gaan voor.
Glucose (mmol/l)Wat het isWat je doet
lager dan 3,9HypoglycemieSnelle koolhydraten volgens het hypoprotocol, na 15 minuten opnieuw meten. Niet aanspreekbaar: niets in de mond, arts of 112.
3,9 tot 4,5Aan de lage kantIets eten of drinken en over een half uur nog eens meten, zeker vóór inspanning of slapen.
4,5 tot 8,0Voor veel patiënten het streefgebied nuchter en vóór de maaltijdNiets bijzonders. Na een maaltijd mag de waarde tijdelijk hoger zijn. Bij kwetsbare ouderen gelden vaak ruimere doelen.
8,0 tot 15VerhoogdNagaan waarom: maaltijd, medicatie gemist, ziek? Vaker meten; bijspuiten alleen volgens de afspraak voor deze patiënt.
hoger dan 15Hyperglycemie (grens van de kaart)Klachten nalopen, ketonen bepalen bij type 1, arts informeren volgens protocol.
zeer hoog, ketonen of klachtenMogelijke ontregelingLaagdrempelig overleg volgens protocol. Braken, buikpijn, snelle diepe ademhaling, uitdroging of sufheid: spoed.
De grenzen van 3,9 en 15 zijn die van de kaart. Streefwaarden, tussenliggende grenzen en belregels verschillen per instelling en per patiënt; het protocol van je afdeling gaat voor.

Hoe je de glucose op een labuitslag leest, staat in het artikel over labwaarden.

Wat te doen bij een hypo (lage bloedsuiker): het stappenplan

Een hypo behandel je in een vaste volgorde, en de kunst zit in het wachten. Wie na vijf minuten alweer meet, ziet nog geen effect en geeft te veel.

  1. Meet. Handen gewassen, apparaat in orde? Twijfel je aan de waarde, meet dan direct nog een keer. Kun je niet meten en past het beeld sterk bij een hypo, dan volg je het hypoprotocol.
  2. Geef snelle koolhydraten volgens jullie protocol als de patiënt goed kan slikken. De NHG-beslisboom noemt zes suikerklontjes of tabletten druivensuiker; een gangbare hoeveelheid is 15 tot 20 gram, bijvoorbeeld ongeveer 200 ml gewone frisdrank (geen light) of limonadesiroop met water. Hoeveel koolhydraten er in een product zit, verschilt; kijk op de verpakking. Geen chocolade, koek of melk: vet en eiwit remmen de opname.
  3. Wacht een kwartier en meet opnieuw. Is de glucose nog onder de 4, herhaal dan stap 2. Meestal is één keer genoeg, soms twee.
  4. Beoordeel of er nog iets te eten nodig is. Is de volgende maaltijd nog ver weg, of gebruikt de patiënt langwerkende insuline of een SU-derivaat, dan kan een boterham of cracker voorkomen dat de glucose opnieuw zakt. Spreek de vervolgcontroles af zoals het protocol voorschrijft.
  5. Zoek de oorzaak en leg het vast. Te veel insuline, een overgeslagen maaltijd, extra inspanning, alcohol, braken of diarree? Noteer waarde, tijd, wat je hebt gegeven en het effect, en meld het bij de overdracht en aan de arts als de oorzaak niet duidelijk is.

Niet aanspreekbaar of slikt slecht: niets in de mond

Leg de patiënt in stabiele zijligging en bel de arts of 112 volgens jullie afspraken. Glucagon (in de spier, onder de huid of als neusspray) of glucose via het infuus wordt gegeven volgens protocol en na voorschrift. Blijf erbij, controleer ademhaling en pols, en meet elke vijf tot tien minuten. Zodra iemand weer goed slikt, volgt alsnog stap 2 en 4.

Waarom een hypo op een SU-derivaat zoals gliclazide lang kan aanhouden

Een hypo door een sulfonylureumderivaat (zoals gliclazide of glimepiride) kan lang aanhouden of terugkomen, ook als de eerste behandeling goed aansloeg. Hoe lang, verschilt per middel, per dosis en per patiënt; een verminderde nierfunctie maakt het erger. Daarom vraagt zo'n hypo om extra controles, ook na de eerste goede waarde, en om een duidelijke overdracht naar de volgende dienst. Hetzelfde geldt voor langwerkende insuline.

Wat te doen bij een hyper (hoge bloedsuiker): de triagevragen

Een hoge glucosewaarde zonder alarmsymptomen is niet automatisch een spoedgeval. De combinatie van de waarde, de klachten, ketonen, uitdroging en de vitale functies bepaalt de urgentie. Loop de triagevragen van de achterkant van de hypo-hyperkaart af; ze zijn in deze volgorde bedoeld.

VraagWaar je op let
Klopt de meting?Handen gewassen, apparaat geijkt, geen suikerresten op de vinger. Bij twijfel opnieuw meten.
Welke symptomen?Dorst, veel plassen, misselijkheid, versnelde ademhaling, acetongeur, sufheid. Hoe meer, hoe urgenter.
Is de patiënt aanspreekbaar?Controles: bloeddruk, pols, temperatuur, ademhalingsfrequentie, saturatie. Een hoge pols en lage bloeddruk wijzen op uitdroging.
Is de patiënt ziek?Koorts, braken, diarree, een infectie, een wond. Ziek zijn jaagt de glucose omhoog, ook zonder dat iemand iets verkeerds deed.
Type 1 of type 2?Bij type 1 kan een hyper binnen uren overgaan in ketoacidose. Bepaal ketonen in bloed of urine als dat kan.
Wat is normaal voor deze patiënt?De gebruikelijke waarde helpt bij de interpretatie, maar sluit een acute ontregeling niet uit. Kijk altijd ook naar klachten, ketonen en vitale functies.
Hoe wordt de diabetes behandeld?Tabletten of insuline? Bij insuline: welk type, hoeveel eenheden, wanneer voor het laatst gegeven, en is er een dosis gemist?
Wat is het intakepatroon?Nuchter, sondevoeding, parenterale voeding, of juist veel gegeten? Ook nieuwe medicatie zoals prednison of dexamethason drijft de glucose op.
De triagevragen van de achterkant van de kaart, met wat je erbij in gedachten houdt.

Op de kaart heten dit de triagevragen hypo- en hyperglycemie: je stelt ze ook bij een hypo. Bij de derde vraag horen de controles van bloeddruk, pols, temperatuur, ademhalingsfrequentie en saturatie; wat daarbij normaal is, lees je bij de normaalwaarden van de vitale functies. En bij het intakepatroon schrijft de kaart TPV: totale parenterale voeding.

Wanneer bel je de arts?

Wanneer je belt, staat in het protocol van je afdeling; de kaart noemt geen belgrens.

Met de antwoorden op deze vragen bel je de arts, bij voorkeur volgens SBAR. Zeg niet alleen de waarde, maar ook of de patiënt ziek is, of er ketonen zijn, wat de laatste insuline was en wat de patiënt normaal heeft. Dat maakt het verschil tussen "even bijspuiten" en "nu komen".

Twee ontregelingen die je niet mag missen

Ketoacidose (vooral type 1): de combinatie van een hoge glucose, ketonen en verzuring, met misselijkheid en braken, buikpijn, diepe snelle ademhaling met acetongeur, uitdroging en sufheid. Hyperosmolair hyperglykemisch syndroom (vooral oudere mensen met type 2): meestal een zeer hoge glucose (vaak boven de 30 mmol/l), ernstige uitdroging en hyperosmolariteit, vaak bewustzijnsstoornissen, weinig of geen ketonen. Beide zijn een reden om direct te bellen en vitale functies te blijven meten; de EWS helpt om de ernst over te brengen.

Een casus

Mevrouw Bos, 79 jaar, is in de nachtdienst opeens verward en zweterig. Wat doe je?

Mevrouw Bos heeft diabetes type 2 en gebruikt gliclazide. Ze heeft gisteravond weinig gegeten omdat ze misselijk was. Om drie uur vind je haar onrustig, klam en niet goed georiënteerd. Je meet: glucose 2,8 mmol/l.

Je meet direct de glucose: bij een oudere die opeens verward en zweterig is, moet een hypo worden uitgesloten, ook zonder typische diabetesklachten. Was ze niet aanspreekbaar geweest, dan had je haar als een hypo behandeld tot het tegendeel bewezen was, zonder iets via de mond, en het acute protocol gevolgd.

Ze is aanspreekbaar en kan goed slikken, dus je handelt volgens het hypoprotocol: limonadesiroop met water, en je blijft bij haar. Na een kwartier is de glucose 4,6 en is ze helder. Omdat het ontbijt nog uren weg is en ze gliclazide gebruikt, geef je een boterham en meet je de rest van de nacht elk uur. Om vijf uur zit ze weer op 3,7 en geef je opnieuw suiker. In de overdracht meld je twee hypo's op een SU-derivaat bij slechte intake, en de dagdienst belt de arts om de medicatie te laten beoordelen.

Wat hier telde: meten bij "opeens anders", handelen zodra de waarde laag is, en niet gerust zijn na de eerste goede waarde.

Zo'n casus kun je ook doorlopen met de zes stappen van klinisch redeneren.

Drie dingen die vaak misgaan

1. Te snel opnieuw meten en te veel geven

Wie na vijf minuten alweer meet, ziet nog niets en geeft nog een portie. Een uur later zit de patiënt op 18 en begint het verhaal opnieuw. Vijftien minuten, dan meten.

2. Gerust zijn na één goede waarde

Vooral bij tabletten, bij langwerkende insuline en bij slechte intake komt de hypo terug. Spreek af hoe vaak je de komende uren meet en zet het in de overdracht.

3. Alleen naar het getal kijken bij een hyper

Een glucose van 17 bij een verder fitte patiënt na een feestmaal is iets anders dan 17 bij koorts, braken en een snelle ademhaling. De triagevragen van de kaart zijn er om precies dat onderscheid te maken.

De kaart met de symptomen en de triagevragen zit ook in de Verpleegkundigenset en de Verzorgendenset van de Set van 5.

Veelgestelde vragen

Is een hypo te hoog of te laag?

Bij een hypo is de bloedsuiker te laag, bij een hyper te hoog. De kaart spreekt van een hypo (hypoglykemie) bij een glucose onder de 3,9 mmol/l en van een hyper (hyperglykemie) bij een glucose boven de 15 mmol/l. Ga na welke afkapwaarde er in jouw instelling gehanteerd wordt: volgens de kaart kan die in geringe mate per zorginstelling verschillen.

Vanaf welke waarde heb je een hypo?

De kaart hanteert een bloedglucose onder de 3,9 mmol/l, meestal met klachten. Dat is ook de internationale grens voor een hypo (ADA en EASD: niveau 1 onder 3,9 mmol/l). Ga na welke afkapwaarde jouw instelling gebruikt: die kan in geringe mate verschillen. Bij klachten en een lage waarde handel je in elk geval.

Wat zijn de symptomen van een hypo?

De kaart noemt negen symptomen van een hypo: honger, transpireren, tremor (trillen), tachycardie (snelle hartslag), sufheid, insulten of coma, bleekheid, duizeligheid, wazig zien en agitatie of prikkelbaarheid. Bij frequente hypo's komen de klachten steeds later of zelfs niet meer. Bij ouderen en/of bij orale bloedglucoseverlagende middelen kan de presentatie atypisch verlopen, met pijn op de borst, verwardheid, focale uitval of coma.

Wat moet je doen bij een hypo?

Wat jullie hypoprotocol voorschrijft. De NHG-beslisboom noemt zes suikerklontjes of tabletten druivensuiker; een gangbare praktische hoeveelheid is 15 tot 20 gram snelle koolhydraten, bijvoorbeeld ongeveer 200 ml gewone frisdrank. Geen chocolade of koek, want vet vertraagt de opname. Na een kwartier meet je opnieuw.

Mag je iemand met een hypo die suf is iets te drinken geven?

Nee. Wie niet meer goed kan slikken of niet aanspreekbaar is, kan zich verslikken. Dan leg je de patiënt op de zij, bel je de arts of 112 en geef je glucagon of glucose volgens jullie protocol.

Wat zijn de symptomen van een hyper?

De kaart noemt negen symptomen van een hyper: polydipsie (dorst), duizeligheid, misselijkheid, polyurie (veel plassen), lusteloosheid, een versnelde ademhaling die naar aceton kan ruiken, prikkelbaarheid, gapen, en slaperigheid, vermoeidheid of sufheid. De kaart spreekt van een hyperglycemie bij een glucose boven de 15 mmol/l; ga na welke afkapwaarde jouw instelling hanteert.

Wanneer is een hyper een spoedgeval?

Niet op grond van het getal alleen. De combinatie telt: een hoge glucose mét ketonen, braken, buikpijn, diepe snelle ademhaling, uitdroging of sufheid is een reden om direct te bellen. Een oudere met diabetes type 2 die uitgedroogd en verward raakt ook. Zeer hoge waarden zonder klachten bespreek je laagdrempelig volgens protocol.

Voorkant van de kaart Algemeen: hypo- en hyperglycemie
Achterkant van de kaart Algemeen: hypo- en hyperglycemie

De kaart voor aan je uniform

Algemeen: hypo- en hyperglycemie

Alles uit dit artikel staat op deze kaart: 7 × 12 cm, afneembaar kunststof, met een clip aan je pak. Voor € 4,95, of als onderdeel van de Set van 5 (€ 23,95, clip inbegrepen) en de Pick & Click met twintig kaarten.

Werk je bij een leerhuis, opleiding of op een afdeling? Laat de Hypo- en hyperglycemie-kaart op maat maken met jullie eigen afkapwaarden, belnummers en logo, of bestel de bestaande kaart voor het hele team tegen staffelprijs. Kaarten op maat · Zakelijk bestellen

Bronnen en controle

  • NHG, Beslisboom hypoglykemie bij diabetes mellitus type 2 (december 2024) en de NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2.
  • Nederlandse Internisten Vereniging, richtlijn Diabetes mellitus, module Acute ontregeling (DKA en HHS); sinds 1 januari 2025 verwijst die voor het protocol naar Het Acute Boekje (hetacuteboekje.nl).
  • Vilans KICK-protocollen: Hypoglykemie en Hyperglykemie, handelen door verzorgenden en verpleegkundigen.
  • Nederlandse Diabetes Federatie, Zorgstandaard diabetes.
  • De referentiekaart Algemeen: hypo- en hyperglycemie van ZorgZipper (uitgave 2024).

Inhoud gecontroleerd op 16 september 2026. Volg altijd het protocol van je eigen afdeling; dat gaat vóór elke naslagkaart.

Een kaart uit de zorgbingo

Gratis voor je team

De zorgbingo in je mail

Acht bingokaarten vol situaties uit een dienst, van ‘familie belt 3x’ tot ‘hele dienst niet geplast’. Print ze voor je team of je klas en kruis af wat je meemaakt. Wil je ook de nieuwsbrief met nieuwe artikelen en kaarten? Zet dan het vinkje aan.

Je krijgt de pdf per mail. Zie de privacyverklaring.

Lukt het niet? Download de pdf dan direct.

Lees ook